Staafjes en kegeltjes
In het oog zijn twee verschillende gezichtszintuigen verenigd. Kegeltjes zijn gevoelig voor licht, maar deze gevoeligheid is beperkt. Ze stellen ons in staat tot scherpe detailwaarneming en zijn bovendien kleurgevoelig. Deze combinatie maakt dat ze optimaal functioneren bij een helder verlichtingsniveau.

Staafjes zijn veel lichtgevoeliger. De lichtgevoeligheid van een enkel staafje ligt een factor van enkele tientallen malen hoger dan een kegeltje. Dit brengt met zich mee dat staafjes gemakkelijk verblind worden. Ze zijn niet geschikt voor het waarnemen van fijne details en bovendien leveren zij geen kleurgewaarwording. Deze combinatie maakt dat zij optimaal functioneren bij lage verlichtingsniveaus. De gevoeligheid van staafjes is het grootst voor groen-blauw licht.
Dankzij staafjes en kegeltjes hebben wij een gezichtsscherpte die ons in staat stelt om te lezen, om TV te kijken, aan het verkeer deel te nemen, om mensen op enige afstand te herkennen; een gezichtsscherpte die ons in primitiever tijden in staat stelde in de verte een prooi te ontwaren, of die ons hielp om op tijd aan een roofdier te ontsnappen.

Dit betekent dat er eigenlijk twee manieren van zien bestaan: één waarbij de kegeltjesfunctie domineert (bij heldere verlichting, dit noemt men het fotopisch zien) en één waarbij de staafjesfunctie domineert (bij een laag verlichtingsniveau, het scotopisch zien).
Platform Lichthinder pleit er niet voor om met z'n allen in het pikdonker te gaan zitten. Wij houden een pleidooi om meer gebruik te maken van het scotopisch zien, onder omstandigheden waarbij dit gerechtvaardigd is, ten gunste van kwaliteiten van het leven die bij het fotopisch zien worden doorkruist.
Schemer
Het oog is in staat te functioneren bij zeer uiteenlopende verlichtingsniveaus. Het is ronduit verbijsterend hoever de uitersten van wat het oog aan licht kan verwerken uiteen liggen. Slechts enkele fotonen zijn al voldoende om te kunnen worden waargenomen. Een kaarsvlam kan nog worden gezien op een afstand van 20 km. Maar ook bij volle zon hoog aan de hemel zijn waarnemingen mogelijk.

Als men 's avonds of 's nachts buiten is, buiten bereik van kunstlicht, ziet men nauwelijks kleuren, evenmin fijne details. De kleur blauw lijkt nu veel helderder dan overdag, hoewel de kleurgewaarwording 'blauw' niet meer aanwezig is. Rood echter, ook helder rood, lijkt bijna zwart. Probeert men een niet al te heldere ster scherp te fixeren, dan verdwijnt hij af en toe even, en wordt ineens veel helderder bij een blikrichting net ernaast. Maar wie niet hoeft te lezen en afziet van kleurgewaarwording, kan prima functioneren.
Adaptatie
De lichtgevoeligheid van een fotofilmpje wordt door de fabriek bepaald en ligt bij elk filmpje definitief vast. Ons oog is echter in staat om dit zelf te regelen, van zeer hoog tot zeer laag, afhankelijk van het aangeboden verlichtingsniveau. Dit gaat geheel buiten onze wil om. Het proces waar het hier om gaat heet adaptatie, letterlijk: geschiktmaking. Adaptatie maakt het oog geschikt om te functioneren bij welke verlichting dan ook, binnen de grenzen van de reeds genoemde uitersten.
Voor iemand die 's nachts buiten in een omgeving is waar kunstlicht geen rol speelt, is de volle maan een bijzonder helder object. Voor dezelfde persoon valt de helderheid van dezelfde volle maan overdag in de volle zon vrijwel geheel weg. Contrastverschillen zijn dus steeds waarneembaar binnen een zeker bereik, maar waar dat bereik is gesitueerd in het totaal van mogelijke helderheden loopt sterk, maar volstrekt geleidelijk, uiteen.

Adaptatie is iets dat tijd vraagt. Als men uit een helverlichte omgeving plots in het donker komt, begint de donkeradaptatie. Eerst meent men "niets te zien". Maar al na een paar minuten lukt het eventuele details te onderscheiden. Na verloop van een half uur tot een uur is het zover dat men ziet wat redelijkerwijs nog zichtbaar zou moeten zijn. Toch kan ook daarna de lichtgevoeligheid en daarmee het onderscheidingsvermogen, zij het dan veel minder, nog gedurende uren toenemen. Als men daarna weer in het licht komt, gaat het veel sneller. In het algemeen binnen enkele minuten is men daaraan weer gewend.
Contrastgevoeligheid
Contrastgevoeligheid - het vermogen om verschillen in contrast te zien - is een kwaliteit van het zien die pas de laatste jaren uitvoerig is onderzocht. In veel opzichten is zij in het dagelijks leven van zeer groot belang, vooral als de contrastverschillen gering zijn, bijvoorbeeld in het wegverkeer, waar het van levensbelang is om (levende of niet levende) obstakels tijdig te onderscheiden.

Deze pagina is bijgewerkt op:
|